Hechting
Hechting: één woord, drie invalshoeken
En waarom dat belangrijk is om te weten
Hi!
Hechting. Je hoort het woord steeds vaker, in therapie, op social media, in gesprekken met vrienden. Maar wat bedoelen mensen er eigenlijk mee? Want afhankelijk van wie je het vraagt, krijg je vaak een ander antwoord. En dat is niet omdat ze het bij het verkeerde eind hebben. Het is omdat er rondom hechting twee onderzoekstradities bestaan die samen drie invalshoeken opleveren, soms met dezelfde of vergelijkbare woorden, maar niet altijd met dezelfde betekenis.
In dit artikel leggen we uit wat hechting is, hoe de drie invalshoeken van elkaar verschillen, welke hechtingspatronen er zijn en wat die betekenen voor je dagelijkse leven. En we vertellen je vanuit welke invalshoek ons materiaal is gemaakt, en waarom we daarvoor hebben gekozen.
Wat is hechting eigenlijk?
Hechting (attachment) is een biologisch systeem. Het zit ingebakken in ons, net zoals bij andere zoogdieren. De functie ervan is simpel: zorgen dat een kind veilig blijft en overleeft.
Dat systeem wordt geactiveerd op momenten van angst, stress, pijn, of als een belangrijke ander er even niet is. Op die momenten gaat er automatisch iets aan in ons, een impuls om nabijheid te zoeken bij iemand die ons beschermt en troost. Bij een baby is dat bijvoorbeeld huilen zodat de hechtingsfiguur naar de baby komt. Bij een kleuter is dat bijvoorbeeld naar de ouder toe lopen om opgepakt te worden. Bij een volwassene is het misschien een appje sturen, iemand opzoeken of jezelf geruststellen met de gedachte dat iemand er voor je is. Het hechtingssysteem wisselt zich af met ons exploratiesysteem (exploratory system). Als we ons veilig voelen, gaan we de wereld in. We ontdekken, spelen en proberen dingen uit. Zodra het onveilig wordt, of als die veilige ander te ver weg is, trekt het hechtingssysteem ons weer terug dichter bij die hechtingsfiguur. De twee systemen wisselen elkaar voortdurend af.
In de kindertijd gaat het letterlijk over fysieke nabijheid: bij papa of mama zijn. In de volwassenheid wordt dat steeds meer emotionele en psychologische nabijheid. Het gaat dan over innerlijke beelden van anderen: zijn er mensen bij wie ik terecht kan als ik ze echt nodig heb? Voel ik me veilig genoeg om steun te vragen?
Drie invalshoeken op hechting
Nu het stukje dat we echt willen uitleggen. Want als je iets leest over hechting, of als een therapeut er iets over zegt, is het soms lastig te weten welk kader er eigenlijk bedoeld wordt. Er zijn twee belangrijke onderzoekstradities, met drie verschillende invalshoeken, elk met hun eigen termen.
1. De sociale psychologie: hechtingsstijlen
Vanuit de sociale psychologie wordt hechting gemeten met zelfrapportagevragenlijsten. Je geeft zelf aan hoe je je voelt in relaties, hoe je omgaat met nabijheid en afhankelijkheid, en wat je gewoonlijk doet als je je onzeker voelt bij een ander. Het meet meestal hoe angstig en hoe vermijdend je denkt te zijn in relaties.
Deze invalshoek richt zich op romantische relaties bij volwassenen en spreekt van hechtingsstijlen (attachment styles). De indeling ziet er zo uit: veilig (je voelt je prettig bij nabijheid én zelfstandigheid), vermijdend (je houdt liever afstand en wil sterk zelfstandig zijn), angstig (je bent bang om verlaten te worden en hebt veel behoefte aan bevestiging), en angstig-vermijdend (je wilt nabijheid, maar vindt die tegelijkertijd moeilijk).
Dit is waarschijnlijk de invalshoek die je het vaakst tegenkomt op sociale media of in populaire psychologieboeken. Het is toegankelijk en herkenbaar. Maar het meet iets anders dan de andere twee invalshoeken.
2. De ontwikkelingspsychologie bij kinderen: hechtingspatronen in gedrag
De tweede invalshoek komt van de Britse psychiater John Bowlby, die als eerste de hechtingstheorie beschreef, en van Mary Ainsworth, die haar bekende Strange Situation onderzoek deed. Daarin observeerden onderzoekers hoe jonge kinderen reageerden op een korte scheiding van en hereniging met hun ouder.
Hier gaat het over direct observeerbaar gedrag: wat doet een kind als het bang of gestrest is? Zoekt het troost? Trekt het zich terug? Raakt het door het lint?
De hechtingspatronen die hieruit naar voren kwamen zijn: veilig (het kind zoekt troost en laat zich helpen), vermijdend (het houdt afstand en is niet zichtbaar overstuur), ambivalent of angstig-ambivalent (het zoekt nabijheid maar blijft boos of overstuur) en gedesorganiseerd (het gedrag is chaotisch, tegenstrijdig of bevroren).
Als je goed oplet zie je dat er hier, net als bij de sociale psychologie, het woord "vermijdend" wordt gebruikt, maar het beschrijft iets anders. Hier gaat het over zichtbaar gedrag van een kind, niet over hoe iemand zichzelf ervaart.
3. De ontwikkelingspsychologie bij volwassenen: hechtingsrepresentaties
De derde invalshoek komt uit hetzelfde onderzoeksveld als de tweede, en kijkt naar hoe die patronen zich verder ontwikkelen de volwassenheid in. Hier ligt de focus niet op gedrag, maar op wat er van binnen gebeurt: hoe iemand informatie verwerkt als het hechtingssysteem geactiveerd wordt.
Dit wordt de mentale representatie van hechting genoemd. Het gaat over het innerlijke werkmodel (internal working model) dat iemand onbewust heeft opgebouwd: hoe zien nabije relaties eruit? Zijn mensen beschikbaar als ik ze nodig heb? Ben ik het waard om voor gezorgd te worden?
Waar gedrag bij kinderen vaak nog ‘puur’ te observeren is, gaat er bij volwassenen vaak veel overheen. Sociaal wenselijk gedrag, cognitieve lagen, jarenlange ervaring met aanpassen. Daarom zie je van buiten lang niet altijd wat er vanbinnen echt speelt, en zijn mensen zich niet altijd meer echt bewust van welke innerlijke werkmodellen ze hebben. Dat maakt directe observatie of een vragenlijst meestal onvoldoende om dit goed in kaart te brengen en worden interviews en performance-based taken met verhalen gebruikt om dit effectief te doen.
De hechtingspatronen vanuit déze invalshoek zijn: veilig (toegang tot steunende beelden van anderen, emoties zijn te reguleren), verwerpend (in het Engels dismissing, in Nederland ook wel gereserveerd genoemd: het belang van hechting en emoties wordt intern verworpen), gepreoccupeerd (preoccupied: voortdurend bezig met de vraag of anderen er wel voor je zijn, met wisselende en moeilijk te plaatsen emoties, verlangen naar nabijheid en tegenstrijdige emoties), en onverwerkt (unresolved: hechting raakt ontregeld door onverwerkte ervaringen).
Dit is de invalshoek waarop ons materiaal is gebaseerd.
Waarom wij voor deze invalshoek hebben gekozen
Wij merken dat als het in Nederland over hechting gaat, er meestal gesproken wordt in de termen van de eerste twee invalshoeken. Dit heeft tot gevolg dat wanneer het over volwassenen gaat, mensen zich vaak niet bewust zijn dat de ‘hechting’ waar zij het over hebben, eigenlijk gaat over hechtingsstijlen in romantische relaties of gedragspatronen in de kindertijd. En daardoor sluit de kennis die we hebben niet altijd aan bij wat we eigenlijk willen begrijpen: hoe vroege ervaringen met hechting zich hebben ingeprent in hoe iemand van binnenuit naar zichzelf en relaties kijkt. Niet alleen hoe iemand zichzelf momenteel ervaart in romantische relaties of hoe die zich als kind gedroeg, maar hoe relaties en emoties diep van binnen georganiseerd zijn. Vaak zonder dat iemand het zelf doorheeft. En juist daar zit de informatie die ons helpt beter te begrijpen waarom mensen reageren zoals ze reageren in relaties en bij stress.
Dat is ook waarom de termen hier iets anders zijn dan wat je misschien gewend bent. We gebruiken verwerpend in plaats van vermijdend, omdat het bij volwassenen niet gaat over het gedragsmatig vermijden van contact. Het gaat over hoe iemand intern het belang van hechting verwerpt. Het daarmee samenhangende gedrag kan per individu heel erg uiteenlopen, en dat is echt iets anders dan wat een vermijdend kind laat zien, of wat iemand op een vragenlijst invult.
En we noemen het een onverwerkt hechtingspatroon, in plaats van gedesorganiseerd wat een term is die het gedrag van kinderen beschrijft. Bij volwassenen gaat het namelijk over onverwerkte ervaringen die het hechtingssysteem ontregelen.
Hoe hechtingspatronen ontstaan
Elk hechtingspatroon is ooit een logische oplossing geweest.
Als een kind opgroeit met ouders die consequent weinig emotioneel beschikbaar zijn, leert het kind: nabijheid zoeken helpt niet. Het hechtingssysteem gaat minder hard aan en het kind leert zichzelf redden. Bij kinderen noemen we dit het vermijdende patroon. In de volwassenheid, als dit zich heeft ingesleten in hoe iemand relaties en zichzelf van binnenuit beleeft, spreken we van het verwerpende patroon.
Als ouders wisselend beschikbaar zijn, soms er wel met aandacht zijn, soms afgeleid of zelf (te) gespannen, dan leert het kind: ik moet harder mijn best doen. Het hechtingssysteem blijft extra actief. Bij kinderen noemen we dit het angstig-ambivalente patroon. In de volwassenheid, als dit is doorgegroeid naar een innerlijke organisatie van gevoelens en verwachtingen over relaties, spreken we van het gepreoccupeerde patroon .
Als de ouder zelf beangstigend is, of zo overweldigd door eigen pijn dat die er totaal niet kan zijn, dan heeft het kind geen veilige plek om naar terug te keren. Dat is de meest ontwrichtende situatie van alle drie. Bij kinderen noemen we dit het gedesorganiseerde patroon. In de volwassenheid, als die vroege ervaringen niet zijn verwerkt en het hechtingssysteem blijft ontregelen, spreken we van het onverwerkte patroon.
Alleen het veilige patroon ontstaat wanneer ouders consistent beschikbaar zijn: niet perfect, maar betrouwbaar genoeg.
Defensieve processen: de olie in de motor
Bowlby beschreef drie defensieve processen (defensive processes) die ons helpen om hechtingspatronen zo soepel mogelijk te laten lopen. Niemand heeft perfecte ouders, dus deze processen filteren negatieve informatie om de band met de ouder zo goed mogelijk te houden. Denk aan ze als interne strategieën om de boel draaiende te houden. Dit is ook zo bij een veilige hechting. Bij een onveilige gehechtheid komen mensen echter vast te zitten in rigide defensieve processen om een onveilige relatie hanteerbaar te maken, de overlevingsstrategie neemt als het ware de overhand.

Bij het verwerpende patroon werkt overwegend een proces dat deactivation wordt genoemd: gevoelens en hechtingsbehoeften worden onderdrukt. Mensen filteren als het ware informatie weg die normaal het hechtingssysteem zou aanzetten. Ze herinneren hun jeugd als "prima", minimaliseren wat er moeilijk was, en richten zich liever op feiten, prestaties of praktische oplossingen dan op emotionele nabijheid.

Bij het gepreoccupeerde patroon is vooral sprake van cognitive disconnection: gevoelens en behoeften zijn er wel, maar de betekenis ervan wordt buiten het bewustzijn gehouden. Mensen voelen van alles, maar snappen niet goed waar het vandaan komt of waar het over gaat. Ze zijn er emotioneel bij, maar het verhaal klopt niet helemaal. Dat zorgt ervoor dat het hechtingssysteem voortdurend aanstaat, maar zonder grip.

Bij het onverwerkte patroon werken segregated systems: herinneringen aan heftige ervaringen en de daarmee samenhangende gevoelens worden afgesplitst of gedissocieerd. Weggestopt in de spreekwoordelijke la. Als het hechtingssysteem geactiveerd wordt, kunnen deze herinneringen en gevoelens opeens bovenkomen, wat leidt tot sterke ontregeling.
Hoe merk je dit in je volwassen leven?
Hechting is geen diagnose. Onveilige hechting betekent niet dat er iets mis met je is, of dat je per definitie klachten hebt. Het is meer een onderlegger: een onbewuste manier van kijken naar nabijheid, stress en relaties.
Al die patronen kleuren ons leven op een bepaalde manier. Bij een verwerpend patroon zie je soms mensen die sterk gericht zijn op werk en prestaties, die weinig steun zoeken bij anderen, die relaties prettig vinden maar emotionele diepgang spannend of onnodig vinden. Die hun jeugd beschrijven als prima, maar er weinig concreets over kunnen vertellen.
Bij een gepreoccupeerd patroon zie je soms mensen die veel piekeren, die zich sterk afhankelijk kunnen voelen van anderen, die veel voelen maar het moeilijk kunnen benoemen of een plek geven. Die veel geven om hun relaties, maar er tegelijkertijd steeds ook teleurgesteld in raken.
Bij een onverwerkt patroon zie je soms mensen die in heftige situaties sterk kunnen ontregelen, die moeite hebben met alleen zijn, die niet goed weten wat ze met zichzelf aan moeten als het moeilijk wordt.
En nogmaals: dit zijn tendensen, geen hokjes. Mensen zijn altijd meer dan een patroon.
Kan een hechtingspatroon veranderen?
Ja. Hechtingspatronen liggen niet voor altijd vast.
Mensen kunnen in de loop van hun leven een veiliger hechtingspatroon ontwikkelen. Onderzoekers noemen dit earned secure attachment, verworven of verdiende veilige hechting. Een mooie term, want het is iets wat je verdient én waar je hard voor hebt moeten werken.
Dat veranderen gebeurt op een paar manieren. Door nieuwe, betrouwbare relaties, ook (tijdelijk) in therapie. Door rouw: het benoemen en voelen van wat je als kind gemist hebt, wat er pijn heeft gedaan, wat je nodig had maar niet kreeg. En door te leren onderscheid te maken tussen vroeger en nu, want de patronen van toen zijn nu misschien niet meer nodig op dezelfde manier.
Rouw klinkt zwaar. Maar het levert iets moois op: het is de manier waarop je je innerlijke wereld kunt bijwerken. Je kunt gaan zien dat jouw behoefte aan nabijheid geen zwakte was. Het is een ingebakken menselijke behoefte. Die je als kind had, en die je nu nog hebt. En dat je die nu, misschien voor het eerst, bij mensen kunt gaan zoeken die er wel voor je zijn.
Over ons materiaal
Wij hebben een boekje gemaakt om dit alles toegankelijk te maken, voor cliënten en voor hulpverleners. Het boekje neemt je mee door het hechtingssysteem, de vier hechtingspatronen, hoe die ontstaan, en wat je er in het dagelijks leven van terug ziet. Met veel kleurrijke tekeningen, zodat abstracte begrippen wat meer vorm krijgen.
Naast het boekje zijn er vier praatplaten: voor elk hechtingspatroon een hechtingscirkel in beeld. En ansichtkaarten om mee te nemen, aan te bieden, of gewoon om ergens op te hangen.

Al het materiaal is gebaseerd op het werk van John Bowlby, Mary Ainsworth, Mary Main, Judith Solomon, Carol George en hun onderzoeksgroepen. We hebben geprobeerd hun inzichten zo nauwkeurig mogelijk, en tegelijk zo toegankelijk mogelijk, te vertalen.